Mijn foto
Blog powered by TypePad

Dylan luistert naar

  • Dylan luistert naar:

Update: Onbehagen van de man

Ik twitter tegenwoordig zoveel, dat ik vergeet te bloggen. Goed, ik zal nog even opsommen wat relevant is.

  • Vorige week donderdag was ik te gast in Obalive, gepresenteerd door Jurgen Maas.. Je kunt de uitzending hier bekijken (jawel, een radio-uitzending is tegenwoordig te bekijken). Ik was in het laatste kwartier van dit uur aan de beurt.
  • Gisteren stond ik in de Volkskrant (bijlage) met een heel mooi interview.
  • Ik was vandaag te beluisteren op BNR Nieuwsradio (Paul van Liempt). Je kunt het interview hier terugluisteren.
  • Vanavond heb ik om 19:00 een lezing ism de stichting Aknarij in de bibliotheek van Bos en Lommer in Amsterdam.
  • Een column van Ruben Maes over mannelijkheid en mijn boek in PM.
  • Ik sta met een interview in de Vrij Nederland die net uit is (21 november 2009).
  • Er komt een interview met mij in Intermediair.
  • .. en meer, maar dat laat ik ter zijner tijd horen!

Oh ja. Volg me op twitter voor het laatste nieuws: twitter.com/DylanvR.

Boekpresentatie / Women Inc debat gisteren

Dsc_0260_3

Bovenstaande is een korte impressie van het debat dat ik gisteren tijdens mijn boekpresentatie had met Andreas Kinneging. Het geeft ook wel goed weer hoe ik die avond beleefd heb. Een interessant en roerig debat met één van Nederlands meest vooraanstaande neoconservatieven.

Dsc_0271_3

Ja, dat ben ik. Achter de kansel.

Dsc_0282_3

.. en het eerste exemplaar van mijn boekje reikte ik uit aan Arie Boomsma.

Met dank aan Francien Jonge Poerink voor de foto's.

Meer foto's van maandag zijn te vinden op de site van Women-inc.

Het onbehagen van de man: update

De laatste weken zijn zo hectisch dat ik er nauwelijks aan toe kom om iets te schrijven voor mijn weblog, of om zelfs maar een update te geven van de komende activiteiten met betrekking tot mijn boek. Hierbij dan op een rij:

  1. Allereerst natuurlijk de boekpresentatie van Het onbehagen van de man op 16 november. Die heb ik samen met mijn uitgeverij Augustus en Women Inc georganiseerd in combinatie met een debat ('was will der mann?'). Daar zijn een aantal interessante gasten aanwezig, onder wie Hoogleraar Rechtswetenschap en vooraanstaande neoconservatief Andreas Kinneging, waarmee ik de (verbale) degens zal gaan kruizen. Aan KRO presentator Arie Boomsma zal ik het eerste exemplaar van mijn boek uitreiken, dat vanaf die datum in de winkels zal liggen. En er komen meer interessante gasten: initiatiefnemer van het manifest Papaplus Rutger Groot Wassink, Ondernemer Orville Breeveld, Hoofdredacteur IkVader.nl Henk Hanssen en pionier Hans Faddegon. Het belooft een interessante avond te worden over (hedendaagse) mannelijkheid en mannenemancipatie.
  2. 19 november zal ik een lezing houden uit Het onbehagen van de man in de bibliotheek van Bos & Lommer, een activiteit georganiseerd door de stichting Aknarij.
  3. In het maandblad Opzij van deze maand staat een voorpublicatie uit 'Het onbehagen van de man'.
  4. In november en december zullen diverse damesbladen, waaronder Elle, Libelle, Red, Mind Magazine en Avantgarde werk van mij of over mijn werk publiceren.

En geheel los van mijn boek en de discussie over mannen stond er in de laatste Waterstof en vervolgens ook op het weblog Sargasso een column van mij met de titel 'Schop de patatburger uit zijn luie stoel'.

 

Onbeholpen mannelijkheid

Sommige kerels kunnen er gewoon niets aan doen. Die rekken zich uit in hun rafelige t-shirt terwijl ze nietsvermoedend de natte zweetplekken onder hun oksels aan de wereld tonen. Het zijn het soort mannen dat altijd een beetje stinkt, omdat ze nooit deodorant of ook maar aftershave gebruiken. Niet uit een of ander principe, het komt gewoon niet bij ze op. Hetzelfde soort mannen trekt onder een pak altijd de verkeerde - veel te lompe -schoenen aan, of duidelijk afwijkende sokken. Laat ik het de onbeholpen man noemen.

Er zullen er zijn die deze onbeholpenheid typisch mannelijk noemen. Het ligt echter iets ingewikkelder. In een onderzoek van Discovery naar de mindsets van de moderne man komt naar voren dat deze zich steeds bewuster is geworden van het belang van een goed verzorgd uiterlijk. Dat uiterlijk opent deuren voor hem, zowel in zijn carrière als in zijn liefdesleven. Het wordt echter nog steeds niet van mannen verwacht – alle hypes rond de metroman ten spijt – dat ze zich om hun uiterlijk bekommeren. Sterker nog: een dergelijke houding wordt gezien als onmannelijk en feminien. Om aan die tegengestelde verwachtingen te voldoen schipperen veel mannen een beetje. Ze zijn wel degelijk met hun uiterlijk bezig, weten precies wat kan en wat niet kan, maar zullen dat niet zo snel aan anderen laten merken.

De onbeholpenheid van sommige mannen rond uiterlijke verzorging heeft eerder te maken met sociale achtergrond. Even doorvragen bij een aantal van deze zweterige, onwelriekende mannen leverde mij al gauw de informatie op dat zij niet alleen geen deodorant of eau de toilette gebruiken, maar ook hun vaders niet. Voor hun gevoel was het daarom iets geks om dat te doen, iets wat niet bij een man hoorde. Geen gecultiveerde ongecultiveerdheid dus, zoals bij zoveel andere mannen, maar een echte, originele, authentieke onwetendheid rond persoonlijke hygiëne en verzorging. Het viel me ook op dat dit soort mannen meer dan gemiddeld opgegroeid zijn buiten de grote steden en forenzencentra.

Zelf vond ik het gebruik van aftershave juist uiterst mannelijk. Mijn vader had altijd een zweem van geur om zich heen en als jongetje associeerde ik dat met volwassen worden. Echte mannen schoren zich ‘s morgens in hun hemd voor de spiegel en besproeiden zichzelf dan rijkelijk met aftershave, zodat ze de uren daarna die milde zweem van mannelijke lucht om zich heen hadden. Een man die geen aftershave draagt was in mijn ogen daarom een soort... jongetje. Onvolgroeid en een beetje naïef.

Hetzelfde gevoel heb ik als een man duidelijk ruikt naar een goedkope aftershave of deodorant. Een man die penetrant ruikt naar Axe straalt een proletarische onbeholpenheid uit, even belegen als de in drie dagen-oud frituurvet klaargemaakte gehaktstaaf die hij waarschijnlijk in de voetbalkantine heeft genoten van hetzelfde sportcentrum waarin hij de deo heeft opgedaan. Daartegenover gruwel ik van het zachte roze yoghurthuidje dat je wel eens ziet bij rijke mannen uit het Gooij en dat het resultaat is van diverse bezoekjes samen met vrouwlief aan een peperduur wellness-centrum. Je ziet ze al liggen met hun dikke buiken en witte handdoeken naast het zwembad. Helemaal jeuk krijg ik van de afgetrainde sportschoollichamen van Men’s Health lezende metroseksuelen, die zo leven in een wereld van lichamelijkheid en gezondheid dat alle andere dingen in het leven volledig blijken te verbleken.

Tot zover mijn eigen kleinburgerlijke vooroordelen. Het maakt maar weer duidelijk hoe divers opvattingen en verwachtingen zijn over mannelijkheid. Wat je beleeft als ‘mannelijk’ is heel erg afhankelijk van de sociale laag waar je vandaan komt en de mensen waar je nu mee omgaat. Een diepe grondstructuur van wat onder ‘mannelijk gedrag’ verstaan wordt is voor het grootste deel afwezig. En dat is maar goed ook, want het geeft iedere man ook een klein beetje vrijheid om zijn eigen keuzes te maken, zijn eigen mannelijkheid te creëren, zonder zich al teveel te hoeven aantrekken van zijn omgeving. Want, om het even clichématig uit te drukken, op ieder potje past een dekseltje. Het is wonderlijk, maar de onbeholpen mannen waar ik mee begon, vinden vaak bijpassende vrouwen: zonder parfum, make up of hoge hakken.

Tomtomloze beroepstrots

Het is alweer een poosje geleden dat ik ergens de taxi moest nemen - ik geloof in Leiden - en dat de taxi-chauffeur niet wist waar hij heen moest. Het probleem bleek te zijn dat hij zijn TomTom in de auto van een collega had laten liggen. We moesten samen met de kaart uitvogelen waar we heen moesten en dat terwijl ik haast had. Je verwacht toch van een taxi-chauffeur dat hij zijn omgeving op zijn duimpje kent?

Fout dus. De taxi-chauffeur die alle straten in zijn stad uit zijn hoofd kent, die de kleine uitvalweggetjes kan dromen, die met je meedenkt en die je een tip kan geven voor een goede kroeg of restaurant is met uitsterven bedreigt. Hij is net zo schaars als de telefonische helpdeskmedewerker die weet waar hij of zij het over heeft of de caissière die weet welke producten de supermarkt verkoopt. Het zijn allemaal mensen die heel goed één ding kunnen, ondersteund door gestandaardiseerde werkprocessen en ondersteunende technologie. Geen duizendpoten zoals vakmensen, winkeliers, reparateurs, kleine middenstanders met een eigen zaak. Mensen die al jaren ervaring hebben in een specifiek vak en die hun werk zichtbaar met liefde doen.

De Amerikaan Matthew B. Crawford schreef een boek over die klasse van kleine ondernemers: Shop class as soulcraft. An inquiry into the value of work. Hij bekritiseert het onderscheid dat veelal gemaakt wordt tussen hoofd- en handarbeid. Jarenlang werden jongeren gestimuleerd om toch maar zo lang mogelijk door te leren want de toekomst - en het beste salaris - lagen bij de hoofdarbeid. Handarbeid betekende namelijk klaargestoomd worden voor de lopende band. Echter, volgens Crawford is het zo langzamerhand niet alleen meer de handarbeid die lijdt onder de toenemende rationalisatie van arbeidsprocessen. Ook veel hoofdarbeid wordt tegenwoordig uitgevoerd in grote, fabrieksmatige onpersoonlijke ruimten waar mensen in kleine cubicles voortdurende repetitieve handelingen uitvoeren op basis van in detail beschreven werkprocessen.

Crawford verwijst onder meer naar Richard Sennett, de Amerikaanse socioloog die in een aantal boeken verwees naar de teloorgang van vakmanschap. Vakmanschap bereik je wanneer je werk goed wil doen, omwille van het werk zelf. Het vereist vaak een grote kundigheid en achtergrond en je moet er een inspanning voor verrichten. Het uitvoeren van het werk geeft je een goed gevoel, je wordt beloond voor je inspanningen. Denk aan het gevoel dat je krijgt als je een maaltijd bereidt met echte ingrediënten die enige bewerking vereisen, in plaats van het bereiden van een maaltijd uit een pakje met voorverpakte en gesneden groenten.

Ook versterkt vakkundige arbeid je identiteit. Doordat je je jarenlang in iets gespecialiseerd hebt kun je het goed en ontleen je daar eigenwaarde aan. De taxichauffeur die al jarenlang rondrijdt en die elk uitvalsweggetje kent voelt zich uniek en is trots op zijn baan. De taxichauffeur die zonder enige kennis behalve een rijbewijs rondrijdt op basis van zijn TomTom voert gewoon handelingen uit om geld te verdienen. Het zal hem echter weinig meer dan geld opleveren: wat voor eigenwaarde krijg je nu van zo’n volstrekt inwisselbare baan?

Het is die inwisselbaarheid, met een eufemisme flexibiliteit genoemd, die een schaduw werpt over veel economische sectoren vandaag de dag. Dat heeft deels te maken met het feit dat voor inwisselbare banen vaak lagere skill-levels noodzakelijk zijn: de taxichauffeur heeft - bij wijze van spreken - aan zijn rijbewijs genoeg. Dat betekent dat de arbeid goedkoper wordt. Ook kunnen hele sectoren naar het buitenland verdwijnen: denk aan de callcenters die massaal worden ge-outsourced naar opkomende economieën als die van India. Maar naast die baanzekerheid heeft deze flexibilisering een negatieve invloed op  het inherente plezier dat mensen aan hun baan beleven en de beroepstrots die ze eraan ontlenen.

Karl Marx maakte destijds een onderscheid tussen concrete en abstracte arbeid. Concrete arbeid is het werk dat geworteld is in een bepaalde context, werk dat niet te scheiden is van de persoon die het doet in zijn specifieke omgeving. Abstracte arbeid daarentegen is gestandaardiseerd in werkprocessen en gekwantificeerd in onpersoonlijke eenheden als manuren. Zodra arbeid geabstraheerd is, zijn minder kundige en dus goedkopere arbeiders nodig en worden die arbeiders ook volstrekt inwisselbaar. Hoe abstracter het werk, hoe minder mensen een verbinding met het product voelen en hoe meer ze dus vervreemd raken van wat ze maken. En omdat datgene wat je doet belangrijk is voor je identiteit, raken mensen ook vervreemd van zichzelf.

Vooralsnog zijn er nog sectoren van de economie die ontkomen aan het regime van toenemende abstractie. Crawford roept mensen op die de behoefte voelen om handarbeid te verrichten vooral op dat te doen, teveel ‘hoogopgeleid’ werk is tegenwoordig bijna even eentonig geworden als lopende band-werk, bovendien zullen goede loodgieters of fietsenmakers voorlopig nog wel even nodig zijn. Maar de groeiende abstrahering van  zelfs de klassieke witteboorden-arbeid en het afnemen van beroepstrots onder invloed van toenemende flexibilisering en globalisering is een te belangrijke ontwikkeling om te negeren. Het verklaart volgens mij een groot deel van het moderne ‘onbehagen’ en het verlangen naar bijvoorbeeld een heldere nationale identiteit. Als je werk steeds minder bijdraagt aan je eigen identiteit, dan ga je dat in andere dingen zoeken.